De zevende dag van onze reis, zondag 4 mei 2014

Datum: 2014-05-04
Schrijver: Ds. J. Joppe en ds. N.A. Donselaar

Vandaag is het de taak van de reisleiders om een dagverslag te maken. Op deze wijze is het voor de andere reisgenoten een echte rustdag!
We zitten sinds zaterdagavond in een prachtig viersterren hotel (Leonardo) in Beersheva (midden in de woestijn) met heerlijke bedden en dat kwam de nachtrust ten goede. Na 8.00 uur verscheen langzaamaan iedereen tamelijk uitgerust aan het ontbijt. We hoefden ons niet te haasten, want om 10.00 uur zou de kerkdienst in het hotel pas beginnen.
Tijdens de avondsluiting op zaterdagavond was er gevraagd wie er als ambtsdragers dienst wilden doen. Er bleken twee mannen ambtsdrager te zijn: ouderling ter Maaten en ouderling van der Meijden. Zij waren beiden bereid deze taak op de zondag te willen waarnemen. Aangezien er geen diakenen waren, werden er twee mannen gevraagd om als diaken dienst te doen: de heren Vos en Holl. Ook zij stemden daarmee in. De koster was geen probleem. René Verheij is koster in Zuilichem en wilde deze taak graag een keer in Israël uitvoeren. Koster Rutger Tromp uit Oldebroek was reserve. Voor Sanneke Kuintjes was het jammer dat er geen orgel was!
Ds. Joppe leidde de morgendienst. Na het gebed in de ‘consistorie’ kwam hij met ouderling Ter Maaten en ‘diaken’ Vos in de ‘kerkzaal’ (waar een dag eerder een synagogedienst plaatsvond) binnen. Alle reisgenoten hadden hun plaats ingenomen. Maar liefst 5 glazen water waren voor de dominee klaar gezet!
Na votum en groet zongen we a cappela Ps. 139 : 1 en 14. De voorganger zette in en het zingen klonk heel mooi. Op de wetslezing volgde het zingen van Ps. 6 : 1 en 2. De Schriftlezing was uit Lukas 15 : 1-24. In het gebed werd er o.a. voorbede gedaan voor Israël en voor de familie, vrienden en kerkelijke gemeenten in Nederland. Onder het zingen van Ps. 51 : 1, 2 en 9 werd er gecollecteerd (met een zwarte plastic tas als collectezak) voor het Shaare Zedek ziekenhuis en in het bijzonder voor de kraamafdeling daar waar jaarlijks heel veel kinderen worden geboren. We hopen deze week een rondleiding door het ziekenhuis te krijgen.
De preek ging over Lukas 15 : 17-20. Het gedeelte uit de gelijkenis van de verloren zoon waarin hij tot inkeer, omkeer en terugkeer komt. Dat waren ook de drie punten uit de preek.
Ds. Joppe begon de preek met de vraag of we wel eens een verloren zoon (of dochter) hebben gezien. Er zijn voorbeelden van jongeren die het thuis heel goed hebben en toch het ouderlijk huis  en de christelijke opvoeding de rug toekeren. Eigenlijk zijn we van nature allemaal verloren zonen en dochters. Wij hebben in het paradijs onze goede Vader de rug toegekeerd.
De Heere Jezus vertelt deze gelijkenis, evenals de vorige twee, aan de farizeeën en schriftgeleerden vanwege hun ergernis. Ze kunnen niet uitstaan dat Hij zondaars ontvangt en met hen eet. Maar als een zondaar de toevlucht neemt tot de Heere Jezus mag dat geen reden zijn tot gemurmureer, maar moet dat juist een reden tot blijdschap zijn.
De jongste zoon uit de gelijkenis vraagt op zekere dag aan zijn vader om het deel van het familiebezit dat hem toekomt. Hij ontvangt dit en verkoopt wat hij in natura van zijn vader ontvangen heeft en vertrekt met een grote zak geld naar een ver gelegen land. Hij brengt daar zijn goed door in een leven van overdaad. Hij verkwist daar zijn vermogen in losbandigheid. Hij is los van zijn vader en zijn waarschuwende woorden. Op een dag is zijn geld op en zijn z’n vrienden vertrokken. Tot overmaat van ramp komt er ook nog een grote hongersnood in dat land. Hij begint gebrek te lijden. Hij mag de zwijnen gaan weiden en verlangt naar het voedsel van deze onreine dieren. Dat alles leidt ertoe dat hij gaat nadenken en tot inkeer komt. Het is de Heilige Geest die ons daartoe brengt.
De jongste zoon ziet in dat de schuld onvoorwaardelijk bij hem ligt. Hij zal opstaan en tot zijn vader gaan en tot hem zeggen: ‘Ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u.’ Die omkeer gaat gepaard met een hartelijke schuldbelijdenis. Hij heeft niet alleen tegen de vader gezondigd, maar bovenal tegen God. Al onze zonden die we tegen onze naaste bedreven hebben, zijn ook zonden tegen God. Hij belijdt dat hij het niet meer waard is een kind van zijn vader te zijn: ‘Maak mij maar als één van uw huurlingen.’ Op meer heeft hij geen recht. Hij heeft immers zijn kindschap verzondigd. Als we aan onze schuld ontdekt worden, dan worden we zo klein, zo onwaardig, zo rechteloos.
Het zijn bij deze jongen niet alleen goede voornemens. Hij gaat ook: ‘En opstaande, ging hij naar zijn vader.’ Hij keert terug. Niet opgeknapt. Hij had niets meer. Alles verzondigd. Maar hij had ook niets nodig om terug te keren, Moede kwam hij arm en naakt tot de God Die zalig maakt. Het is de trekkende liefde van de vader waardoor de jongen gedrongen wordt tot het besluit om op te staan en naar zijn vader te gaan.
En wat een vader! De jongen was zijn vader vergeten, dagen zonder getal, maar de vader vergat hem niet. Als de zoon nog ver is, ziet hem zijn vader. Hij werd met innerlijke ontferming bewogen. Zo wacht God in Christus op verloren zonen en dochters. Hij ziet uit naar zondaren die zich bekeren, die tot inkeer, omkeer en terugkeer komen. Omdat de Heere Jezus de dood is ingegaan en de dood heeft verslonden tot overwinning, kunnen dode zondaren levend worden.
Wie nog een verloren zoon of dochter is, de Heere wacht op u en jou, met innerlijke ontferming bewogen. Waarom zou u zich dan nog langer verharden? Waarom zou je nog langer aarzelen om tot Hem te komen? Je zonden zijn nooit zo groot, dan de Heere ze niet vergeven kan. Het offer van Christus is groot genoeg! En wie tot Hem komt, zal Hij geenszins uitwerpen.
 
Na de preek zongen we Ps. 42 : 1 en 3 en na het dankgebed: Ps. 43 : 3.
Na de dienst en het dankgebed in de ‘consistorie’ werd door de diaken onder toeziend oog van de ouderling het collectegeld geteld. Vervolgens wilden we koffie gaan drinken in de loungeroom van het hotel. Door een communicatiefout stond er niets klaar. Dus het duurde even voordat iedereen van koffie of thee was voorzien. Ds. Donselaar en Jacco hebben hier keurig voor gezorgd. Na het serveren van de koffie of thee eiste de kantine-juffrouw dat er betaald zou worden. Maar de afspraak was dat er op de maandag betaald zou worden. Nadat ds. Donselaar met de manager van het hotel had gesproken, was de betaling op maandag geregeld. Het was voor het hotel de eerste groep Nederlanders die uit christelijke levensovertuiging de zondagsrust wil handhaven. (Voor de Joden is de zondag na de sabbat een gewone werkdag.)
Na de koffie werden we om 13.00 uur in een zaal verwacht voor de lunch. Daar stond in een prachtige zaal, naast een grote pot koffie (!) heerlijk eten op tafel. Velen genoten van de pitabroodjes en de patat met een soort kroketjes en frikandellestukjes. De maaltijd werd afgesloten met het lezen van Psalm 128 en dankgebed. Sommigen ging daarna even rusten of een wandeling rond het hotel maken, maar dat was met zo’n 40 graden erg heet.
 
Om 17.00 uur begon de dienst die geleid werd door ds. Donselaar. Hij kwam binnen met ouderling van der Meijden en ‘diaken’ Holl. We begonnen met het zingen van Psalm 23: 1 en 3 na het votum en de groet. Daarna beleden we ons geloof met de Twaalf Artikelen en zongen in aansluiting daarop Psalm 98:4. De Schriftlezing was opnieuw uit Lukas 15 en nu vers 1-3 en vers 11-32. Na het gebed hebben we in de verkondiging stil gestaan bij de oudste zoon. Het thema voor de verkondiging was: de indringende nodiging van de ontfermende vader onder het horen van de reidans.
Vanmorgen hoorden we het gedeelte waar het ging over de jongste zoon en nu over de oudste zoon. Het minst bepreekte gedeelte van de gelijkenis. Drie gelijkenissen spreekt Christus uit als één gelijkenis en als één antwoord op het murmureren van de Farizeeën en de Schriftgeleerden. In de gelijkenis zien we de vader, de jongste en de oudste zoon. De jongste zoon laat zich kennen door wat hij vraagt (de erfenis); de oudste zoon door wat hij niet doet (meegaan; waarschuwen); en de vader door wat hij wel doet (ontferming tonen tot twee maal toe).
De oudste zoon is bezig geweest op het veld en keert weer terug naar huis. Daar hoort hij het gezang van de reidans. Net als de berijmde woorden van Psalm 98:4

Laat al de stromen vrolijk zingen,
De handen klappen naar omhoog;
't Gebergte vol van vreugde springen
En hupp'len voor des HEEREN oog.
Hij komt, Hij komt, om d' aard' te richten,
De wereld in gerechtigheid;
Al 't volk, daar 't wreed geweld moet zwichten,
Wordt in rechtmatigheid geleid.
 
Deze reidans en de woorden vinden geen weerklank in zijn hart! Integendeel, hij wordt toornig. De dienstknecht heeft met nadruk gezegd: uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat uw broeder is gekomen. Dit is niet de werkelijke reden van de feestvreugde. Die vinden we terug in de slotwoorden van vers 27: hij heeft hem gezond weder ontvangen. Jezus zegt ergens anders dat die gezond zijn de Medicijnmeester niet nodig hebben, maar die ziek zijn. Hier is een zieke thuisgekomen en door zijn vader gezond gemaakt. Niet zomaar ontvangen door zijn vader, maar hij die tevreden was met als een huurling thuis te zijn, is weer als kind ontvangen.
De oudste zoon wordt toornig. Hij weigert te delen in deze vreugde. Hij hoort wel de muziek, maar die vindt geen weerklank in zijn hart. Zijn vader bidt hem. Hij dringt er op aan, om toch mee te gaan. Het antwoord van de zoon is dat hij die nooit het gebod van zijn vader overtreden heeft, nooit eens vrolijk mocht zijn met zijn vrienden. We zagen dat de jongste zoon ‘losbandig’ leefde (los van zijn vader), maar de oudste zoon is dat eveneens. Het gaat hem niet om zijn vader, maar om hem zelf en zijn vrienden. Hij is ten diepste niet anders dan zijn jongste broer. Hij lijkt een modelzoon te zijn, maar zo laat hij zien wat er werkelijk in zijn hart leeft. Volgens hem heeft zijn broer zijn goed met hoeren doorgebracht. Nergens lezen we dat in het woord. Dat kon hij niet weten, maar hiermee zegt de oudste zoon: als ik het geld had wat mijn broer er heeft doorgebracht, dan was het opgegaan aan de hoeren. Herkennen we de spiegel van het Woord?! De oudste zoon is hier de verloren zoon. De dienst van zijn vader is geen liefdesdienst, maar een slavendienst. Jaren heeft hij zich een slaaf gevoeld van zijn vader.
De oudste zoon heeft geen behoefte aan vergeving. Hij had de overtuiging dat je Jezus kan omzeilen door de zonde te omzeilen. Dat is een diep inzicht. Je kunt Jezus als Verlosser omzeilen door alle morele voorschriften na te leven. Doe je dit, dan heb je rechten. Oudste zonen zijn gehoorzaam om God om iets te krijgen. Toch blijft zijn vader bij de openstaande deur aandringen. De geur van het gemeste kalf komt hem tegemoet. De zang van de reidans wordt gehoord. En wat doen wij? Gaan we mee naar binnen? Om te delen in de feestvreugde van God? Bij deze openstaande deur zingen we als antwoord op de verkondiging:

Want Hij is onze God, en wij
Zijn 't volk van Zijne heerschappij,
De schapen, die Zijn hand wil weiden.
Zo gij Zijn stem dan heden hoort,
Gelooft Zijn heil- en troostrijk woord;
Verhardt u niet, maar laat u leiden.
 
Hierna eindigen we met dankgebed. Voordat de dienst wordt beëindigd met de zegen, zingen we Psalm 24:3.
 
Na het diner hebben we om 20.00 uur in de hal van het hotel een minuut stil gestaan bij de herdenking van de Israëlische soldaten die na 1948 in Israël zijn omgekomen. Dit jaar valt dit gelijk met de Nederlandse dodenherdenking. We hebben tijdens die minuut stilte ook gedacht aan allen die in de Tweede Wereldoorlog in ons eigen land zijn omgekomen.
Daarna hebben we met elkaar nog wat psalmen en geestelijke liederen gezongen en kort nagepraat over de preken van deze dag. De collecte voor het Shaare Zedek ziekenhuis die in beide diensten werd gehouden, heeft ruim 500 euro opgebracht. Het was een bijzondere en onvergetelijke zondag in het land van de Bijbel!